Een beetje geschiedenis...

Toen de "Belvédère" nog losvloer heette

Tot 1960 vormde dit stenen gebouw rond het kabelrad de "hoog gelegen losvloer" van de steenkoolmijn. Op de eerste verdieping bracht de lift de lege wagentjes naar beneden en de volle – met ruwe steenkool – naar boven. Ze werden automatisch op de licht hellende rails gezet die naar een luchtbrug in het sorteergebouw leidden. Daar werd de inhoud van het wagentje uitgekiept, gewassen, gesorteerd en gekalibreerd. Nadien keerden de lege wagentjes via de loopbrug terug naar de losvloer; waar ze door een mechanisch systeem op de lichte helling naar de lift werden gezet. Deze hoog gelegen loopbrug heeft de architect geïnspireerd bij het bouwen van de huidige "Pass'erelle".

Ontginningsput nr. 11 (Saint-Ferdinand)

Bij het begin van de steenkoolontginning (in de Borinage sinds de 13de eeuw) werd de steenkool ontgonnen in dagbouw of in ondiepe lagen. Maar men schat dat de gemiddelde diepte van de putten in de 16de eeuw al 70 m bedroeg.
Het jaartal waarin de put in gebruik werd genomen is niet exact te bepalen. Maar volgens de eerste geschriften, die dateren uit 1883, was hij in dat jaar 418 meter diep, met een diameter van 3,5 meter. Er wordt wel aangenomen dat de put al eerder werd uitgegraven. Op dat moment wordt de steenkool ontgonnen op 333, 341 en 407 meter diep. In 1950 werd de put tijdens een renovatie verdiept tot duizend meter, met een diameter van 5,3 meter. De exploitatie gebeurt dan op 430, 976 en 1.030 meter en levert vette kool van hoge kwaliteit voor de vervaardiging van cokes, en dit tot op 16 juli 1960, de dag waarop de put wordt gesloten

De machinezaal

Ten tijde van de ontginning bevond zich in dit gebouw een elektrische extractiemachine met KOEPE-riemschijf, aangedreven door een Ward-Léonard motor met een vermogen van 2.400 pk en een capaciteit van 1.000 ton.
Dit systeem, dat in Duitsland werd ontwikkeld door Freidrich Koëpe, bracht de beweging over naar een ronde extractiekabel die eerst werd opgerold in de gleuf van een grote riemschijf en vervolgens in de kabelwielen van het kabelrad. De liftkooien waren bevestigd aan de uiteinden van deze kabel en een tweede platte kabel, vastgemaakt aan de vloer, zorgde voor het evenwicht en voor stabiliteit bij vertrek. Een positie-indicator gaf aan waar de kooien zich bevonden en stelde de machinist in staat ze te sturen naar de verschillende vertrekplaatsen van de galerijen op de bodem van de put.